Eerste reis
De VOC zond per jaar drie vloten naar Azië voor de retourhandel: de Paasvloot (voorjaar), de Kermisvloot (september) en de Kerstvloot (december). Nadat ’t Vliegend Hert klaar was voor de vaart, werd het gereedgemaakt voor de kerstvloot van 1731 en voer uit op 11 december onder leiding van Abraham van der Hart, samen met de Wolphaartsdijk, de Nieuwvliet en de Soetelinskerke. De vloot volgde de standaardroute via het kanaal van de Atlantische oceaan, de Kaapverdische eilanden passerend via de zuidkant richting het verversstation Kaap de Goede Hoop, dat werd bereikt op 9 april 1731. Na een stop van drie weken bereikte de vloot Batavia op 10 juli van datzelfde jaar.
Zoals vaker bij de handelsschepen werd ’t Vliegend Hert vervolgens ingezet voor de Indische buitenhandel. Op 20 augustus 1731 vertrok het naar Suratte, maakte in april 1732 een reis naar Malabar en voer over Ceylon terug naar Batavia. Weer terug op Ceylon werd de terugreis richting het vaderland voorbereid. Het schip vertrok op 22 april 1733 onder equipagenummer 128, waarna het op 15 augustus 1734 aanmeerde bij fort Rammekens. Snel daarna werd het alweer gereedgemaakt voor de kerstvloot van 1734 om de reis te herhalen.