Na de ramp

Willem Gerbrands en zijn bemanningsleden werden twee maanden na de scheepsramp 1735 verhoord over de scheepsramp van 3 februari. In die bewuste nacht gingen zij met loodshoeker de Mercurius voor anker in de hoop nog opvarenden te kunnen redden. In ploegen van twee hield men steeds de wacht, met slechts één lantaarn op de achterplecht, terwijl er verschillende spullen voorbijdreven. Gerbrands verklaart dat hij geregeld kwam om de situatie te monitoren. Naar eigen zeggen kon hij de slaap door de situatie niet vatten. ’s Ochtends om 11:00 uur werd het anker van de Mercurius gelicht. In de nacht van 4-5 februari keerde de loodshoeker terug op Fort Rammkens, waarna het trieste nieuws verspreid werd onder de Zeeuwen. 

 

Al op 9 februari deed de VOC verschillende pogingen om de belangrijkste stukken aan boord terug te krijgen, vermoedelijk met de drie geldkisten als belangrijkste doel. Verschillende Britten werden ingehuurd om op het wrak te duiken. Op 21 maart 1735 deed ene James Buchell voor 20 gulden een poging. Hij nam wel waar hoe de stompen van de mast nog boven het water uitstaken, maar kon niet in de kajuit komen. Het geeft aan hoe ondiep het water was op dat moment.  

 

Vervolgens kreeg cartograaf Abraham Anias op 28 maart de opdracht tot maken van een zeekaart met de plaats van ‘t Vliegend Hert om volgende duikpogingen te vergemakkelijken. Deze kaart zou in 1977 leiden tot de herontdekking van het wrak. In 1736 volgde een tweede poging door William Evans in ruil voor de helft van de opbrengst. Hij had meer succes dan zijn voorganger, mede doordat het wrak op dat moment al verwoest was. Hij haalde onder andere 700 wijnflessen, een ijzeren kanon, Leids laken en wat geldstukken naar boven. 

 

Op land werd er ook gezocht naar overblijfselen. François de Kok en Albert van Roveen werden aangesteld om aangespoelde objecten terug te vorderen in de Vlaamse kustgebieden, waaronder Oostende en Blankenberge. Zelfs de bisschop van Brugge kwam hier nog aan te pas kwam. Lang werd er echter niet getreurd om het verlies. Nog geen maand later, op 1 maart 1735, werden al drie andere schepen aangewezen om de plaats van ’t Vliegend Hert en de Anna Catharina te vervangen. Na de bergingsoperaties verdween het wrak, zoals A.J. van de Horst kenmerkend stelt, niet alleen onder het zand, maar ook uit de directe herinneringen van de Zeeuwen. 

Zeekaart (replica) van de Noordzee met de locaties van de scheepsrampen van de Anna Catharina en ‘t Vliegend Hert in 1735. Naar aanleiding van deze scheepsrampen werden de vaargeulen voor het eerst afgebakend met tonnen. Deze kaart werd speciaal gemaakt voor zeevarenden. Het is een kopie van de zeekaart van cartograaf Abraham Anias, uitgegeven door Van Keulen in 1774.