Bouw
Op de Middelburgse scheepswerf aan de Korendijk werd op 10 juni 1729 door Hendrik Raas begonnen aan de bouw van zijn 68e VOC-retourschip in opdracht van de Heeren XVII: ’t Vliegend Hert (Hart, sic.). De standaardmaten voor zo’n schip waren 34,7 x 10.9 meter en het woog ongeveer 850.000 kilo. Raas deed dit dan ook niet alleen. Hij had maar liefst 700 personeelsleden in dienst, zoals touwslagers, timmermannen en schilders. De kosten voor de bouw en inrichting van ’t Vliegend Hert bedroegen zo’n fl. 130.000, -. Toch kreeg Raas van het VOC-bestuur nog eens fl. 300,- extra ‘voor diverse gedaane diensten’.
Gezicht op de scheepswerf van de Oost-Indische Compagnie aan het Balkengat te Middelburg, Jan Arends, 1778, Collectie KZGW
Het hout was afkomstig uit Duitsland en gebieden rond de Oostzee. Cruciaal om de bomen op de juiste manier te verzagen waren de zaagmolens. De balken werden zo kant-en-klaar geleverd op de werf in Middelburg, waar al 157 spiegelretourschepen waren gebouwd. Een populaire locatie voor de Heeren XVII, doordat de Zeeuwse werf voor Nederlandse begrippen aan relatief diep water lag. Hierdoor konden grotere schepen worden gebouwd en makkelijk te water worden gelaten.
Na de bouw van de romp en stevens werden de standaardmaten gecontroleerd door de nabijgelegen Kamer van Rotterdam. Met het aanslaan van het vat ‘stevensbier’ was er een akkoord voor de verdere afbouw en inrichten van het schip. Op 5 mei 1730 was ’t Vliegend Hert (Hart, sic.) met bouwnummer 158 gereed. In de 7 maanden daarna werd het schip verder ingericht. “Op ’t welvaart van ’t Vliegend Hart” stond er op de glazen van de edele heren die dit heugelijke moment samen vierden.
Dit model zal veel geleken hebben op ‘t Vliegend Hert. Het is een zeldzaam scheepsmodel van een spiegelretourschip van de VOC: ‘Blijdorp en Padmos’. Dit type schip was het belangrijkste transportmiddel van de VOC. Je kunt het bekijken in het Maritiem Museum Rotterdam. (beeld: Eric van Straaten)