Tweede (fatale) reis

Na de aanmonstering op 28 december 1734 in Middelburg, kon de kerstvloot nog niet vertrekken vanwege de aanhoudende westenwind. De vloot moest wachten op oostenwind en hoog water (het tij) om de Noordzee veilig te kunnen bereiken. Het gevaar op afdrijving of zandbanken was kortom te groot voor grote handelschepen. Geen goed nieuws voor de bemanning, die pas salaris ontving als het schip vertrok.  

 

Op 3 februari 1735 werd het weer eindelijk beter, waarop onder leiding van schipper Cornelis van der Horst een vergadering werd georganiseerd op ’t Vliegend Hert bij fort Rammekens. Schipper Jacob de Prins van de Anna Catharina en twee lieden van de VOC waren aanwezig om over een eventueel vertrek te praten. Willem Gerbrands was de loods, degene die het grote schip door de ondiepe vaargeul de Deurloo moest leiden richting de Noordzee. Tot zijn verbazing werd hij geweigerd bij de vergadering en, naar eigen zeggen, heeft hij toen op het halfdek rondgelopen.  Rond het middaguur zou men de ankers lichten en definitief vertrekken, zo klonk het besluit. Dit werd later onder gezag van equipagemeester Van Braams veranderd naar 14:00 uur. En zo geschiedde… 

 

Het was een even vreemde als fatale keuze, zo zou blijken. Van der Horst dacht rond 20:00 uur het hoogste waterpunt te hebben bereikt in watergeul de Deurloo, maar dat was een inschattingsfout. De opkomende noordoostenwind van de vroege middag, in combinatie met de onverstandige beslissing van de schipper en de onervarenheid van de loods zorgden ervoor dat eerst de Anna Catharina rond 17:00 uur vastliep op de beruchte zandbanken van de Deurloo en drie waarschuwingsschoten loste. ’t Vliegend Hert volgde snel daarna en liet zelfs vijf schoten klinken.   

 

Een ooggetuige van de ramp was Jan Lamberts Stamper. Hij lag als visser voor anker bij Zoutelande. Door het verslechterde weer had hij toestemming om ook gebruik te maken van de loods van de kerstvloot. Tijdens zijn verhoor in april 1735, vertelde Stamper dat hij door de twee vastgelopen schepen vaarde die slechts 200 meter van elkaar verwijderd waren. Op de kapiteinshut van ’t Vliegend Hert riepen ruim dertig mannen in doodsangst om hulp, zo verklaart de visser. Volgens hem was de ramp vooral te wijten aan de loods.   

 

De bemanning van ’t Vliegend Hert wist zich door het langzaam stijgende water nog los te maken, rond 21:00 uur, zodat het schip in hoger water voor anker kon gaan. Toch had het urenlange beuken van de golven en harde wind de romp van het schip lekgeslagen. Loodshoeker De Mercurius van Gerbrands volgde het schip in noordoostelijke richting en zag hoe het om 23:00 uur met twee schoten het sein gaf om het anker te laten zakken op de SchoneveldDe panieksituatie was echter nog niet voorbij. Rond 23:15 uur werden de masten afgezaagd en overboord gegooid en na 23:30 uur verdween ‘t Vliegend Hert in de golven.  

 

Beiden schepen zonken met man en muis, slechts 20 kilometer van de Zeeuwse kust. In totaal kwamen er ruim 500 mannen om het leven. Zwemmen kon men niet en in het koude water was onderkoeling een kwestie van slechts enkele minuten. Het is daarmee de grootste scheepsramp uit de Nederlandse geschiedenis. 

Detail van paskaart uit ca. 1774, waarop links Walcheren is te zien en rechtsonder de locatie waar de twee schepen zijn gezonken. Collectie Zeeuws Archief.