Persoonlijke eigendommen
Op een VOC-schip werd nauwkeurig bijgehouden wat er allemaal meeging aan proviand, lading en geld. Ook bij ’t Vliegend Hert is precies genoteerd wat zich aan boord bevond. De bemanningsleden hadden echter ook een persoonlijke zeemanskist, waarin zij hun persoonlijke bezittingen bewaarden. Denk bijvoorbeeld aan tabak, jenever, muntstukken en andere spullen. De inhoud van deze kisten stond niet op de inventaris van ’t Vliegend Hert. Juist daarom vertellen de vondsten ons iets over het leven aan boord, waar de archieven zwijgen.
Voor de twee houten smokkelkistjes komt matroos Gerrit Wens uit Amsterdam in aanmerking. Hij wordt genoemd in het verzoekboek voor matrozen. Betekent dit dat ook gewone bemanningsleden zich smokkelgeld konden permitteren? Hoewel bekend is dat het volk soms werden geronseld om tegen een kleine vergoeding geld te smokkelen voor rijke Nederlandse kooplieden, lijkt dat in dit geval onwaarschijnlijk. Een matroos verdiende ongeveer 9 gulden per maand en zou jarenlang moeten werken om de inhoud van zulke smokkelkistjes bijeen te verdienen. Bovendien ligt het niet voor de hand dat iemand met zoveel kapitaal aan een zwaar bestaan als matroos begon, laat staan straf riskeerde door zijn naam op de kist te zetten.
Van wie de smokkelkistjes werkelijk waren, zal verder onderzoek moeten uitwijzen. Niet alleen geld, maar ook tabak en andere goederen werden op grote schaal gesmokkeld. A.J. van der Horst beschrijft een ooggetuige die meldde dat bemanningen van VOC-schepen bij aankomst in Batavia de eerste twee dagen bezig waren met het verkopen van illegaal ingevoerde goederen, waarna pas begonnen werd met het uitladen van het schip.
Eten en drinken
Het eten aan boord werd bereid door de kok en zijn koksmaat in de kombuis, waar steenkool werd gebruikt om het vuur op te stoken. Dankzij de lijsten met victualiën weten we ongeveer wat er aan boord werd gegeten. Achter de mast hadden de officieren de luxe om aan een gedekte tafel te eten, met wijn en verschillende gerechten van vers vlees, op smaak gebracht met de vele specerijen aan boord. De gevonden kookpotten en ander keukengerei lijken, gezien hun beperkte aantal, vooral voor deze maaltijden bedoeld te zijn. Zoals A.J. van der Horst terecht opmerkt, is het moeilijk voorstelbaar dat men met zo weinig ruimte en materiaal voor 250 man tegelijk kookte.
De proviand werd bewaard in voorraadpotten van steengoed. Daarnaast gebruikte men handzame loden containers voor het transport van levensmiddelen, zoals kaas (zie hieronder), ansjovis en tabak. Niet zelden met initialen. Er werd gegeten van persoonlijk servies met bijbehorend bestek, voornamelijk lepels. Dankzij de initialen op deze voorwerpen kunnen ze aan verschillende personen aan boord worden gekoppeld, uit alle lagen van de hiërarchie.
Wanneer het schip dichter bij de evenaar kwam, werd het bewaren van voedsel een uitdaging. In de praktijk bleek goede conservering vaak lastig. Zelfs het drinkwater bedierf regelmatig en kon een bron van parasieten zijn. Volgens beschrijvingen dronken matrozen en soldaten soms met de tanden op elkaar om geen wormpjes of insecteneitjes binnen te krijgen.
Om problemen te beperken voerde de VOC allerlei regels in. Sinds 1732 moesten vaten met vlees en spek bijvoorbeeld worden voorzien van een vignet met datum, zodat het oudste vat als eerste werd gebruikt. Een jaar eerder werd het verplicht om levend vee mee te nemen aan boord. Officieren konden daardoor beschikken over vers vlees van onder andere kippen, schapen en varkens die op het dek of in hokken werden gehouden. De verschillende dierenbotten laten zien dat ook ’t Vliegend Hert zich aan deze regels hield. Waarschijnlijk waren niet alle dieren al geconsumeerd. Tot 1671 werden op VOC-schepen zelfs kleine moestuinen aangelegd met onder meer kool, wortels en uien.
Voor de mast leefde de bemanning daarentegen op een streng rantsoen om te voorkomen dat de voorraad opraakte vóór aankomst. Bij het ontbijt werd aangelengde gort met pruimen gegeten. In de middag stonden gedroogde peulvruchten of bonen op het menu, soms aangevuld met vet (pekel)vlees of (stok)vis. Het avondeten bestond vaak uit restjes, met bier en brood. Daarnaast kreeg iedere opvarende dagelijks een ‘mutsje’ van ongeveer 15 cl brandewijn. Er werd gegeten in ploegen, ook wel bakken genoemd, waarbij zeven personen samen uit dezelfde schotel of bak aten. Wist je dat hier de uitdrukking ‘aan de bak gaan’ vandaan komt?
Handelswaar en lading
Het primaire doel van de VOC was handeldrijven en zoveel mogelijk winst maken met Aziatische luxeproducten, zoals specerijen, zijde en porselein. Andersom was de vraag in Oost-Azië naar Nederlandse producten veel kleiner, of zelfs afwezig. De handel moest daarom grotendeels worden betaald met klinkende munt. Daardoor vormden de drie geldkisten in de kajuit, samen met de proviand in het ruim, een belangrijk deel van de lading tijdens de heenreis. De proviand werd zoveel mogelijk vervoerd in dicht gesoldeerde containers. Voor snel gebruik gebruikte men stenen voorraadpotten, tonnen en vaten.
Daarnaast zijn verschillende voorwerpen gevonden die mogelijk verband houden met bestellingen van Nederlanders die vanuit hun functie bij de VOC in Batavia verbleven. Zo werd in 1988 een intacte kist met twaalf pijpen van hoge kwaliteit gevonden, afkomstig uit Gouda en voorzien van verschillende keurmerken. In de lading bevonden zich vermoedelijk twee soorten pijpen: de gekroonde ‘67’ en de gekroonde ‘WS’. Ter bescherming werden deze verpakt in boekweitdoppen. Ook zijn sporen van Leids laken teruggevonden: een kostbare en hoogwaardige wollen stof die sinds de zeventiende eeuw voornamelijk in Leiden werd geproduceerd.
Geldkisten
Van tevoren was al bekend hoeveel geld zich aan boord in de kajuit van ’t Vliegend Hert bevond. Na de ramp werd opnieuw een balans opgemaakt onder de titel Contanten in het verongelukte Schip het Vliegend hart.
Navigeren
Een schip kon niet zomaar uitvaren. Eerst moest de koers worden bepaald. Als zeeman moest je weten waar je je bevond, dat was van levensbelang. Navigeren was daarom de belangrijkste taak aan boord. De twee hoogste officieren van ’t Vliegend Hert, de schipper en de opperstuurman, zette de koers uit langs de Kaapverdische eilanden, om via de Amerikaanse naar Kaap de Goede Hoop te varen. Vervolgens zou het schip de reis vervolgen langs de zogenaamde brouwerroute, zodat ze profijt hadden van de gunstige wind stromen in de oceaan richting Batavia. ’t Vliegend Hert heeft op de eerste reis dezelfde koers met succes bevaren.
De koers werd bepaald met behulp van verschillende instrumenten en zeekaarten. Het kompas was daarbij het belangrijkste hulpmiddel om de richting te bepalen. Met de jakobsstaf (zie hieronder) werd de hoekhoogte gemeten, waaronder de zon of de poolster boven de horizon stond. Op basis van die meting kon de geografische breedte worden berekend. Wist je dat het Nederlandse gezegde ‘polshoogte nemen’ hier waarschijnlijk haar oorsprong vindt?
Persoonlijke verzorging
Een VOC-schip was bepaald geen schone omgeving, ook niet naar achttiende-eeuwse maatstaven. De bemanning zaten dicht op elkaar gepropt en sanitaire voorzieningen waren er niet. Zowel de persoonlijke hygiëne, als die van de leefomgeving waren kortom erbarmelijk. Toch laten verschillende vondsten zien dat er wel degelijk aandacht werd besteed aan persoonlijke verzorging.
Voor de twee houten smokkelkistjes komt matroos Gerrit Wens uit Amsterdam in aanmerking. Hij wordt genoemd in het verzoekboek voor matrozen. Maar betekent dit ook dat gewone bemanningsleden zich smokkelgeld konden permitteren?
Hoewel bekend is dat rijke kooplieden soms matrozen of soldaten inzetten om tegen een klein percentage van de opbrengst geld te smokkelen, lijkt dat in dit geval onwaarschijnlijk. Een matroos verdiende slechts 9 gulden per maand en zou jarenlang moeten werken om de inhoud van zulke smokkelkistjes bijeen te verdienen. Bovendien ligt het niet voor de hand dat iemand met zoveel geld op zak koos voor het zware bestaan van matroos. Ook werden de kistjes achter in het schip gevonden. Van wie de smokkelkistjes werkelijk waren, zal verder onderzoek moeten uitwijzen.
Verdediging
In het begin van de achttiende eeuw voeren de schepen van de VOC duizenden kilometers tussen Nederland en Azië. Deze reizen brachten niet alleen handelskansen, maar ook risico’s met zich mee. Op zee konden VOC-schepen, zoals ’t Vliegend Hert, te maken krijgen met verschillende tegenstanders. In sommige gebieden vormden piraten een gevaar, vooral langs drukke handelsroutes zoals de Straat van Malakka.
Ook regionale zeemachten in Azië probeerden invloed uit te oefenen op de handel of eisten tol van passerende schepen. Daarnaast waren er Europese concurrenten, zoals Engelse en Franse handelscompagnieën, die streden om toegang tot havens en handelsnetwerken. Portugal was in eerdere eeuwen bijvoorbeeld een belangrijke tegenstander van de Nederlanders in Azië en behield in de achttiende eeuw nog enkele strategische havens en handelsnetwerken.
Vermaak
Tijdens de lange reis en het zware leven aan boord was behoefte aan ontspanning. Een spel of samen muziek maken hielp om de gedachten even te verzetten of herinneringen aan het thuisfront op te halen. Toch was dit officieel niet toegestaan, vanwege de angst voor drankgelag, ongeregeldheden en opstootjes. Bij het aanmonsteren werden de regels en bijbehorende straffen voorgelezen. Tijdens de reis gebeurde dit meerdere keren om de bemanning eraan te herinneren zich te gedragen. De overtreding van de regels werd namelijk streng bestraft. Denk daarbij aan geselen, brandmerken, kielhalen een geldboete of eenzame opsluiting.
Voor gokken was de straf redelijk mild: enkele dagen op water en brood. Bij betrapping op smokkelen, maar ook bij godslastering of dronkenschap, stond een boete van een aantal maanden gage. Voor diefstal waren de straffen vele malen strenger. Zelfs lijfstraffen werden niet geschuwd. De doodstraf werd alleen toegepast bij zware vergrijpen, zoals muiterij, moord of homoseksualiteit (sodomie). Provoost Casper Nazius uit Brugge was verantwoordelijk voor het handhaven van de orde aan boord en het tegengaan van verboden spelen en muziek. Hij was hierdoor niet de meest geliefde persoon op het schip!
Ziekte en overlijden
Het eten voor de mast was karig, eenzijdig en van slechte kwaliteit. Daarmee vormde het een directe bedreiging voor de gezondheid aan boord. Vooral onder de gewone bemanning kwamen aandoeningen als scheurbuik, uitdroging, difterie en vlektyfus regelmatig voor. De smerige omgeving, het zware werk, het ongedierte en de extreme temperaturen maakten de situatie er niet beter op. Bovendien deed men nauwelijks aan persoonlijke hygiëne en zaten de mannen dicht op elkaar gepakt. Om die reden voeren op een VOC-schip standaard meerdere chirurgijns mee.
Tegen veel van de toenmalige ziektes konden chirurgijns echter weinig beginnen. Hun behandelingen bestonden vooral uit symptoombestrijding en sommige ingrepen waren waarschijnlijk niet zonder risico. De schedelboor of trepaan (zie hieronder) uit ’t Vliegend Hert is daarvan een opvallend voorbeeld. Hiermee werden zogenaamde trepanaties uitgevoerd: ingrepen waarbij één of meerdere gaten in het schedeldak werden geboord, bijvoorbeeld om de gevolgen van een schedelbreuk te behandelen.
Door de combinatie van open wonden en slechte hygiëne konden complicaties, zoals ontstekingen, gemakkelijk ontstaan. De jeneverfles, een vast onderdeel van de uitrusting van de chirurgijn, werd gebruikt om verlichting te bieden wanneer andere middelen tekortschoten.
Voor de geestelijke zorg was een ziekentrooster aan boord. Dit was Severijn Deelmunck uit Vlissingen. Door de uiteenlopende herkomst van matrozen en soldaten moet op het schip een mengelmoes van christelijke stromingen aanwezig zijn geweest. En dat op een relatief kleine ruimte. Zeeuwen en Hollanders waren overwegend calvinistisch, terwijl bemanningsleden uit Brabant en de Zuidelijke Nederlanden (grofweg het huidige Vlaanderen) veelal katholiek waren opgevoed. Op ’t Vliegend Hert voeren ook verschillende Duitsers mee, met name militairen. Onder hen zullen waarschijnlijk veel lutheranen zijn geweest. Van welke confessie Deelmunck was, weten we echter niet.
De zorg aan boord ten spijt maakt het overlijdensbericht van soldaat Jacob Pietersen (zie hieronder) pijnlijk duidelijk dat veel bemanningsleden al verzwakt aanmonsterden. Uit heel Europa trokken arme mannen naar Zeeland op zoek naar een beter bestaan bij de VOC. Zogenaamde ‘zielverkopers’ of ‘slaapbazen’ trokken langs havens en kroegen en boden de arme drommels onderdak en warme maaltijden aan. De volgende ochtend werden deze mannen geconfronteerd met de hoge rekening van 150 gulden die zij niet konden betalen. Waarna hun loon in beslag werd genomen wanneer zij aan de VOC werden overgeleverd. Dit kon soms weken duren. In de tussentijd kregen de mannen, soms zelfs in opsluiting, op voedsel dat nauwelijks beter was dan het eten aan boord.
Nadat de bemanning op 28 december op ’t Vliegend Hert was gekomen, moest zij nog vijf weken wachten voordat het schip uiteindelijk uitvoer. Bij ’t Vliegend Hert waren het vooral Sara de Vries, Pieter de Volder en Jan Martens (zie hieronder) die regelmatig in de kantlijn voorkomen als begunstigde voor het salaris. Naast Pietersen kostte die wachtperiode aan de rede van Rammekens ook matroos Lodewijk Stefan en soldaat Steven van Goethem het leven. Jan Stalploeg was bovendien zo zieke en zwak dat zijn broer hem moest vervangen.