Handtekeningen

De bemanning kwam dus uit heel Europa. Op zoek naar een beter leven kwamen zij naar Nederland om voor de VOC te werken. In de havensteden werden veel van deze mannen opgewacht door zogeheten slaapbazen of zielverkopers, die hun een maaltijd, uitrusting en een overnachting aanboden. De volgende ochtend werden zij geconfronteerd met een standaardrekening van fl. 150,-. Een bedrag dat de meesten onmogelijk konden betalen. Daardoor begonnen veel soldaten en matrozen hun loopbaan met schulden die zij moesten aflossen met het loon dat zij bij de VOC zouden verdienen. 

 

Tot de aanmonstering op een nieuw schip verbleven de mannen bij de zielverkopers, in sommige gevallen onder omstandigheden waar zij moeilijk aan konden ontsnappen. Vervolgens werden zij met een uitrusting ter waarde van ongeveer fl. 24,- afgeleverd bij de VOC. Ter plekke werd vaak nog een hangmat aangeschaft. 

 

Via een schuldbrief, ook wel ‘siel’ genoemd, werd beslag gelegd op het toekomstige loon om de schuld af te lossen. De bedragen werden door een klerk vastgelegd in het schuldboek, waarna de bemanningsleden moesten tekenen. Sommigen schreven hun naam vloeiend op, anderen konden met moeite alleen hun naam noteren. Wie niet kon schrijven, zette een kruisje. Deze handtekeningen laten iets zien van de verwachtingen waarmee de mannen aan hun reis begonnen: de hoop op een beter leven op zee. Vijf weken later waren velen van hen in de golven verdwenen.