Een nota in de monsterrollen van de soldaten vermeldt dat de onderkoopman per bemanningslid een ‘folio’ (pagina) moet bijhouden in een ‘grootboek’. Daarmee is hij hoofdverantwoordelijk voor alle financiële transacties volgens de juiste procedures, op straffe van inbeslagname.
De Vroe werd samen met zijn tweelingzus Maria [Marija, sic.] gedoopt op 27 februari 1714 in Goes. Zijn vader was Pieter de Vroe, zijn moeder Maria Douw. Als enige zoon in het gezin met vijf kinderen moet hij de mogelijkheid hebben gehad om zich te ontwikkelen. Van zijn jeugd is verder echter niets bekend; noch zijn opleiding, noch het beroep van zijn vader.
Waar dit wel uit blijkt, is het feit dat Gijsbert op 20-jarige leeftijd van de West-Indische Compagnie (WIC) het vertrouwen kreeg om de functie van ‘auditeur’ (een financieel en juridisch toezichthouder) op Guinea aan de Afrikaanse westkust te bekleden, zoals blijkt uit de notulen van de Vergadering van Tienen (bestuur WIC) op 29 oktober 1734.
Diezelfde dag nog werd dit besluit officieel gemaakt in een resolutie, waaruit blijkt dat Jacob Ernhardt en ene Mermimont zijn afgewezen voor dezelfde functie. Kennelijk kreeg men deze aanstelling niet zomaar. Niet veel later wordt de schipper van d’Elima verwittigd over deze benoeming en dat De Vroe ‘bij de eerste gelegenheid wordt uitgezonden’ met zijn schip.
De vraag is echter hoe De Vroe de functie van onderkoopman op ’t Vliegend Hert kon vervullen, terwijl hij een dergelijke benoeming in West-Afrika had. Op 19 november noemden de notulen van de Heeren het feit dat Gijsbert zeer vereerd was met de benoeming, maar moest weigeren vanwege een aanstelling bij de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Diezelfde dag werd ene Johan van Rielle in Middelburg op de hoogte gebracht over De Vroe, die “bedanckte voor de eer”. Ook dit werd in een resolutie vastgelegd.
Gijsbert de Vroe verruilde dus bewust zijn functie in Guinea voor die van onderkoopman op ’t Vliegend Hert, waarvan de meeste officieren en onderofficieren al in oktober waren aangenomen. Met fl. 40,- verdiende hij een zeer riant salaris voor die tijd. Aangezien hij geen begunstigde opgaf in de administratie en geen huwelijk in de archieven voorkomt, zal hij waarschijnlijk vrijgezel zijn geweest. Hoe hij aan die hooggeplaatste functie kwam, is vooralsnog onzeker.
De passagier aan boord van het schip was Jan Dou(w), een jurist met dezelfde achternaam als Gijsberts moeder, die in dienst van de VOC in Batavia zou gaan werken. Was deze gerespecteerde man wellicht de oom van Gijsbert? En hielp hij zijn neef aan deze prestigieuze baan? We weten het niet. Zijn keuze om voor de VOC te gaan varen, zou echter een noodlottig einde kennen.
Intussen konden op 28 december de soldaten en matrozen zich aanmelden in het Oost-Indiëhuis te Middelburg, waarna ze een paar dagen later aan boord gingen en het vertrek moesten afwachten. Hoe lang er heeft gezeten tussen het laden en de aanmonstering is niet zeker. Nog voor het vertrek van ’t Vliegend Hert maakt Gijsbert de Vroe op 22 januari 1735 melding bij David Sandra, boekhouder bij de Kamer Zeeland, van het overlijden van soldaat Jacob Pietersen uit Zwijndrecht (zie afbeelding hieronder).