Voor en achter de mast
Hiërarchie
Een VOC-schip als ‘t Vliegend Hert was een van de grootste en ingewikkelde machines uit de 17e en 18e eeuw die manueel bediend moest worden. Daar was voldoende personeel voor nodig die aan boord hun eigen beroep, functie of taak hadden om het schip te kunnen besturen en veilig op de volgende bestemming te krijgen. Genoeg kennis en mankracht was daarbij cruciaal.
Een VOC-schip als ’t Vliegend Hert is te vergelijken met een klein maar overvol dorp. Een strikte hiërarchie aan boord was nodig om de orde te bewaken. Schipper Cornelis van der Horst was opperbevelhebber en bevond zich met andere officieren, onderofficieren en ambachtslieden op het achterschip, ofwel: achter de mast. Hier leefden ze relatief comfortabel met gedekte tafels en een bed. Voor de mast zat het volk: de soldaten en matrozen. Ook was mr. Jan Dou (Johannes Douw) mee als passagier. Hij zou een functie als jurist gaan bekleden in Batavia voor de Raad van justitie.
Voor de mast waren de omstandigheden minder rooskleurig. Naast een karig, calorierijk en eenzijdig menu, maakten de slechte hygiëne, het gebrek aan privacy en slapen in een hangmat het leven erg zwaar voor deze opvarenden. Ziektes lagen op de loer en de spanning was om te snijden. Bovendien moesten vooral de matrozen in ploegen het zware werk doen aan boord, terwijl de soldaten slechts hand-en-spandiensten verrichtten. Zij waren vooral ter verdediging van de overzeese forten aan boord.
Ruimtes op het schip
‘t Vliegend Hert was een traditioneel kuildekschip. De achterzijde van het dek had een zogenaamde campagne, terwijl een deel van het dek aan de voorzijde verhoogd was. Zo ontstond er tussenin een verlaagd dek: de ‘kuil’. Dit type schip had twee doorlopende dekken die boven elkaar gesitueerd waren. Boven bevond zich het verdek met daaronder de overloop. De kuil was verbonden met aan beide zijden het halfdek, waar vaak een tent over werd gespannen om de matrozen te beschermen tegen het warme en felle zonlicht.
De VOC had specifieke eisen qua maatvoering voor haar schepen. Er moest enerzijds voldoende diepte zijn voor de victualiën, proviand en de lading. Anderzijds waren de Nederlandse wateren ondiep, waardoor de schepen niet te veel diepte mochten hebben. De leefruimte van de bemanning kwam daarmee al snel in het gedrang.
Achterdek:
Op het achterdek waren zes hutten gevestigd, van schipper Cornelis van der Horst, de stuurlieden en de chirurgijns. Daarboven bevond zich het campagnedek. Het overloopdek was vooraan voorzien van het kabelgat en een luik. Verder naar het midden was een deel van de proviand opgeslagen, zoals water, bier, spek en vlees. Hier werden ook brandstoffen als olie en brandhout bewaard. De plek van die voorraadkamer was niet toevallig gekozen. Links van de grote mast bevond zich namelijk de kombuis. Dit was een bakstenen ruimte waarin gekookt werd. Het baksteen moest voorkomen dat de vlammen oversloegen op de rest van het schip. Rond dezelfde mast bevond zich ook de bottelarij, waar de wijn werd beheerd, het grote luik en het koksluik om de lading makkelijk naar boven te hijsen. Helemaal achter op de het schip was de konstabelkamer. De konstabel en zijn assistenten (maten) waren verantwoordelijk voor het beheer en behoud van de munitie aan boord.
Voorbeeld van de ruimtelijke indeling op een VOC-schip
Beroepen en functies
Officieren en onderofficieren
De officieren aan boord waren de schipper en de onderstuurman. Zij waren aan boord de hoogste in rang – op de passagier na – en eindverantwoordelijk voor het verloop van de reis en succes van de handel. Zij werden geassisteerd de onderofficieren (stuurlieden). Het waren degenen die een opleiding en ervaring hadden genoten in de zeevaart. Zij zorgden een voor de navigatie en de orde aan boord tijdens de lange reis. Ook hielden zij zich met de handel bezig.
Chirurgijn
De slechte omstandigheden aan boord veroorzaakten veel ziektes, net als het karige menu. Op ‘t Vliegend Hert waren drie Middelburgse chirurgijns die zich bezighielden met de ziekenzorg: Michiel Bartholomeus, oppermeester met een salaris van fl. 36,- en ondermeesters Gilles Ponte en Nicolaas van der Meer die voor fl. 24,- hun werk uitvoerden. Zij hadden een relatief hoge status aan boord en beschikten over een eigen hut op de achtersteven. Van de laatste twee zijn twee tinnen borden en een lepel teruggevonden.
De remedies die deze geneesheren hadden, waren echter niet bestand tegen ziektes als scheurbuik, difterie en vlektyfus. Ze hadden enkel beschikking over lapmiddelen en deden aan symptoombestrijding, waardoor de bemanning meestal nog zieker werd dan ze al waren. Als niets meer werkte was de jeneverfles vaak de enige uitkomst. Naast de chirurgijns werd er ook een ziekentrooster of predikant meegenomen aan boord voor de mentale ondersteuning: Severijn Deelmunck uit Vlissingen. Helaas moesten velen de reis op een VOC-schip met de dood bekopen.
Militairen
Ook de militairen aan boord kenden een strikte hiërarchie. Ongeveer de helft van de bemanningsleden had een militaire functie. De soldaten kwamen, nog meer dan andere groepen aan boord, uit alle windrichtingen. Hun belangrijkste taak was hanteren van munitie, musketten en kanonnen tijdens de verdediging van het schip. Maar veelal waren het meevarende lieden die verdedigingswerkzaamheden in en rond Batavia moesten uitvoeren. De VOC regeerde met harde hand in de kolonies en beschermde de handel en dus haar welvaart goedschiks of kwaadschiks. De militairen waren bovendien nodig om de overzeese gebieden te beschermen tegen een aanval of inname van vijandige (Europese) naties.
Ze werden aangestuurd door de scheepskorporaal van ‘t Vliegend Hert, luisterend naar de naam Christiaan Rotties. Hij kwam uit Veere en verdiende een salaris van fl. 14,-. Provoost Casper Nazius uit het Vlaamse Brugge verdiende een gulden minder en was de tweede militair aan boord. Hij was hoofdverantwoordelijk voor de ordehandhaving tijdens de zeereis, geen geliefde functie aan boord. Abraham van Ditmarsse uit Utrecht en Antonij Martenz uit Oosterveld mochten zich eerste en tweede korporaal noemen en werkten direct onder Rotties leiding. Verder waren Willem Luijts uit Middelburg en de Gentse Joris de Meijer landpassaat: militairen met enige ervaring die de overige 88 soldaten aanstuurden. Arnoldus Kap van Aalst was aan boord als adelborst, wat betekent dat hij nog officier in opleiding was.
Opvallend is de openstaande militaire functie van trompetter, terwijl er wel een trompet uit ‘t Vliegend Hert bekend is. Een mogelijke verklaring hiervoor was de aanwezigheid van matroos Epke Teunis uit Bolswart, die volgens kantlijn van de monsterrollen al 10 jaar gevaren had als trompetter. Geen soldaat, dus! Van andere soldaten zijn ook verschillende attributen teruggevonden, zoals de lepels van Jacob Vrijmoet en Francis la Meer en Anthonij Faicq .
Passagier
Johannes Douw of Jan Dou ging als passagier mee op ‘t Vliegend Hert. In de monsterrollen wordt hij meester genoemd, wat wijst op een universitaire studie in de rechten. Jan ging dan ook mee naar Batavia om daar een prestigieuze functie als jurist bij de Raad van Justitie te bekleden. Een vooraanstaande functie die in de achttiende eeuw voor weinig mensen was weggelegd. Zijn salaris van fl. 200.- per maand, plus de drie kisten met persoonlijke spullen bewijzen hoe vermogend Jan Dou is geweest.
Toch weten we weinig over deze passagier. De Zeeuwse archieven noemen enkel zijn inschrijving op de Latijnse school van Middelburg in 1721. Gezien zijn studie die daarna nog volgde, was Dou op het moment van vertrek ongeveer 23 jaar oud. Zijn functie in Batavia zou mogelijk zijn eerste baan zijn. Dit overlijdensbericht vertelt ons op regel 3 dat hij woonachtig was in de Middelburgse Gortstraat in Middelburg: “Ijan Dou verongelukt op Vliegend Hart, Gortstr.” Veel gevonden objecten zijn zo kostbaar, dat Dou vaak de meest logische eigenaar hiervoor lijkt. Zoals een knoop van parelmoer of een kous met zilverdraad erin verwerkt.
Matrozen
Het zware werk tijdens de reis werd gedaan door de 32 matrozen in ploegendiensten. Op ‘t Vliegend Hert zaten veel ervaren matrozen, gezien het feit dat 66% soms meerdere decennia al op zee had gevaren. Sommigen kenden elkaar nog van eerdere reizen, waaronder de eerste reis van ‘t Vliegend Hert. Een aanzienlijk deel van de matrozen waren de zogenaamde oplopers: matrozen die veelal weinig of geen ervaring hadden op zee. Sommigen hadden al op de binnenvaart of in de visserij gediend, anderen hadden zelfs nog nooit gevaren.
De zeelieden werden aangestuurd door de hoogbootsman Jan van de Heide, bijgestaan door de Delftse bootsmansmaat Aart Jansz Kruif. Orders van de officieren over de koers werden onder hun leiding uitgevoerd door de matrozen. Dat deden zij niet alleen. Schieman (of tweede bootsman) Claes Egbertsz van Weide hield toezicht op het juist uitvoeren van het touw- en takelwerk, geassisteerd door zijn maat door de Duitser Jan Hendrik Sautter.
Naar gelang de ervaring werd een matroos ingeschaald. Hij verdiende in het meest gunstige geval fl. 12.-, tegenover een minimum van fl. 8,-. Erg weinig, als je bedenkt dat ze met slecht eten, weinig slaap en gebrek aan privacy dit zware werk moesten doen. Bovendien zaten zij samen in het ruim met de soldaten. Als we de overleveringen mogen geloven, was de sfeer tussen deze twee groepen om te snijden. Een houten label is teruggevonden met de initialen van matroos Jan den Hengst.
Scheepsjongens
Een deel van de matrozen waren de scheepsjongens, in de volksmond ‘jongens’ of ‘lichtmatrozen’ genoemd. De ongeveer twaalfjarige kinderen werden door de wees- of armenhuizen van Middelburg en Goes aan de VOC uitgeleverd. Voor slechts een bedrag van fl. 5,- per maand werden zij voor tien jaar gecontracteerd om in Azië voor de VOC te werken. Onderweg assisteerden zij de matrozen bij het zware werk. Een lucratieve manier voor de Kamer Zeeland om zich voor de lange termijn van personeel te verzekeren. De wees- of armenhuizen lieten de eerste fl. 25,- van het loon op voorhand uitbetalen om hun onkosten te dekken. Bijzonder is dat bij de aanmonstering van Guiliaam Bruinsteen uit Aardenburg zijn moeder Marija Goosens wel aanwezig was. ‘t Vliegend Hert had zes van deze scheepsjongens aan boord:
- Job antonisz uit Goes;
- Isack Mechinet uit Vlissingen;
- Adam Heijker uit Middelburg;
- Michiel Krijnse uit Vlissingen;
- Arij Jabobsen uit Vlissingen;
- Guilliaam Bruinsteen uit Aardenburg.
Ambachtslieden
Anders dan de officieren aan boord, hadden de ambachtslieden vooral een praktisch vak geleerd. Ze zijn in twee groepen in te delen: degenen die aan boord werkten, en degenen die pas overzee hun taken hadden. De archieven vertellen weinig over de gereedschappen of andere hulpmiddelen die deze opvarenden gebruikten om hun beroep uit te oefenen. Juist de vondsten van ‘t Vliegend Hert geven ons daar wel een redelijk beeld van.
Zeilmaker: was verantwoordelijk voor het repareren van de zeilen onderweg. Op ‘t Vliegend Hert waren Jan de Vleeshouwer uit Middelburg en Gijsbert Mellema uit Rotterdam belast met deze taak. Mogelijk gebruikten zij deze vingerhoed bij hun werkzaamheden.
Kuiper: Een kuiper vervaardigde kleine vaten of tonnen, de belangrijkste bewaar- en transportmiddelen van de zeventiende en achttiende eeuw. Of dit ook onderweg gebeurde weten we niet zeker. De losse duigen zouden hierop kunnen wijzen, maar meer waarschijnlijk deden zij dat in Indië. Op ‘t Vliegend Hert was het Jacob de Gress die de leiding had als opperkuiper. Onder hem werkte de Middelburgse Daniel Devolder als onderkuiper.
Timmerlieden: Onderweg moesten lekken gedicht worden om te voorkomen dat er water en zand het ruim inliep. Levensgevaarlijk op zee natuurlijk. Pieter van Zeijl kreeg als oppertimmerman van ‘t Vliegend Hert een salaris van fl. 44,-, terwijl zijn ondertimmermannen Anthony Timmers, Wouter Klaauw en Isaak Koot ongeveer fl. 10,- minder verdiende.
Verder waren bouwlieden aan boord als meevarende personeelsleden om in Batavia in de bouw te werken. Ook op ‘t Vliegend Hert was bijvoorbeeld een steenhouwer, geelgieter, beeldhouwer, koperslager of grofsmid en metselaar aan boord. Allemaal beroepen die op zee geen functie hadden. Daarnaast waren er huistimmerlieden. Anders dan de scheepstimmerlui, gingen ook zij pas in Indië aan de slag. Interessant is dat sommige gereedschappen hun intialen dragen, zoals een blokhaak van Cornelis Brants, een heft van Jan Bouman en verschillende werktuigen van Jan de Bie.