De vindplaats (grid)
In 1984 en 1985 werd het onderzoeksgebied uitgebreid, waardoor nieuwe delen van het schip in beeld kwamen. In 1985 werd onder andere een deel van de kombuis ontdekt. Na een onderbreking van twee jaar werden de duikexpedities in 1988 voortgezet. Daarbij werd vastgesteld dat van het achterschip aan bakboordzijde nog ongeveer 12 meter zichtbaar was; daarna volgde een breuk. Van de rest van het schip waren nauwelijks nog resten aanwezig.
Volgens de reconstructie van A.J. van der Horst uit 1992, wijst dit erop dat het schip grotendeels verticaal op de kiel is gezonken, wat overeenkomt met de ooggetuigenverslagen uit de archieven. Tijdens de najaarsstorm van 1735 is het schip mogelijk naar bakboord gaan overhellen, waardoor zware objecten, zoals de kanonnen, in de loop van de tijd naar die zijde zijn verplaatst. Het schip brak vervolgens uiteen en verdween grotendeels. Begin jaren ’90 was vooral het achterschip nog herkenbaar, waar het achtersteven het hoogst boven de zeebodem uitstak. De resten van het wrak lagen ongeveer twee meter onder de zeebodem en waren afgedekt door opeenvolgende lagen schelpen, klei en zand. Volgens dezelfde reconstructie ligt direct boven het wrak een schelpenlaag van circa 20 cm, gevolgd door een kleilaag van ongeveer 40 cm: de laag waarin het schip in 1735 terechtkwam. Daarboven bevonden zich opnieuw een zwarte schelpenlaag en een dunne kleilaag, geheel afgedekt door zand.