Persoonlijke eigendommen

Op een VOC-schip werd nauwkeurig bijgehouden wat er allemaal meeging aan proviand, lading en geld. Ook bij ’t Vliegend Hert is precies genoteerd wat zich aan boord bevond. De bemanningsleden hadden echter ook een persoonlijke zeemanskist, waarin zij hun persoonlijke bezittingen bewaarden. Denk bijvoorbeeld aan tabak, jenever, muntstukken en andere spullen. De inhoud van deze kisten stond niet op de inventaris van ’t Vliegend Hert. Juist daarom vertellen de vondsten ons iets over het leven aan boord, waar de archieven zwijgen. 

Deze tekening van kunstschilder Johannes Hermanus Koekkoek (1778-1851) uit 1809-1811 toont de aanmonstering van scheepsvolk voor een VOC-schip te Vlissingen (collectie KZGW). De man op de voorgrond zit met zijn rug naar ons toe, maar houdt zijn hand stevig op zijn zeemanskist. Op de achtergrond dragen twee matrozen de grotere zeemanskist van een van de officieren. De regel was namelijk: hoe hoger in rang, hoe groter de kist. 

 

Interessant is dat veel van de gevonden objecten initialen bevatten die via de opvarendenlijsten aan personen aan boord gekoppeld kunnen worden. Daarnaast zijn er vondsten die op basis van een beroep aan één of meerdere personen kunnen worden toegewezen. Een combinatie van beide is natuurlijk helemaal bijzonder en brengt zo iemand weer een beetje tot leven. 

 

Deksel zeemanskist

De deksel van de zeemanskist van Abraham de Jongeonderstuurman op het schip, kwam bijvoorbeeld in 1984 boven water. De letters ADI(J) zijn duidelijk zichtbaar en komen als enige overeen met één van de 265 opvarenden. Ook de afmetingen van 37,7 x 62,7 x 11 cm. passen bij zijn status aan boord. Zelfs de sporen van het ijzeren beslag zijn nog zichtbaar. Over Abraham de Jonge en zijn vrouw Neeltje Jans is bij recent onderzoek (2026) veel ontdekt. Lees binnenkort hier meer over hun verhaal. 

Lakstempel

Onderkoopman Gijsbert de Vroe meldde op 29 januari het overlijden van soldaat Pietersen aan Kamer Zeeland (zie afbeelding hieronder). Op dit briefje gebruikte hij een lakzegel voorzien van een onbekend wapen. Interessant is dat in 1989 een lakstempel werd gevonden met de initialen ‘GVD’, die sterk overeenkomen met die van De Vroe, maar niet exact hetzelfde zijn. Gebruikte De Vroe verschillende lakstempels voor persoonlijk en zakelijk gebruik? Of hebben de initialen toch een andere betekenis? Ook over de onderkoopman is via onderzoek in de archieven van de VOC en WIC meer bekend geworden. Lees binnenkort hier meer over zijn verhaal. 

Wijn

Een deksel van een grote wijnkist met de letters ‘LNH’ werd in 1989 opgedoken. Deze wijnkisten werden volgens standaardmaten van 152 × 61 × 61 centimeter (5 × 2 × 2 voet) gemaakt, zodat de VOC precies wist hoeveel ruimte zij in het ruim zouden innemen. Pas in 1742 veranderde deze maatvoering. In één kist pasten precies 176 flessen. Van deze wijnflessen zijn talloze exemplaren teruggevonden. Ze werden kattenkoppen genoemd en zijn onder te verdelen in een continentale en een Britse variant, die door elkaar werden gebruikt — ook op ’t Vliegend Hert.

In veel flessen zit de wijn nog altijd, omdat het korte kurkje met koperen zekeringsdraad nog aanwezig is. De gevonden peuters, gebruikt door bottelier Boudewijn van Beest, dienden om de flessen te openen. 

In de jaren negentig werden meerdere wijnflessen uit ’t Vliegend Hert geveild. Eén van de kopers durfde het aan om de wijn, die ruim twee eeuwen onder water had gelegen, te proeven. Dat bleek geen succes. Wijn werd vooral door officieren uit prachtig gedecoreerde glazen gedronken en mogelijk stonden deze flessen klaar voor gebruik, aangezien bij sommige exemplaren het koperen zekeringsdraad ontbrak.


Waar de letters ‘LNH’ precies voor staan, is nog onduidelijk. Omdat 
wijnflessen vaak decennialang meegingen, verwijzen de initialen mogelijk naar een wijnhandelaar in Nederland of Batavia die zijn materiaal op deze manier herkenbaar maakte. 

Gereedschap

De vele ambachtslieden die als reiziger meevoeren, hebben hun sporen nagelaten. De opvarendenlijsten laten zien dat juist deze mannen vaak twee kisten meenamen: één voor persoonlijke eigendommen en een tweede, mogelijk voor hun gereedschap. Dat deze voorwerpen persoonlijk bezit waren, blijkt uit de vele gereedschappen die voorzien zijn van initialen. Zo zijn van huistimmerman Jan du Bois (Jan de Bie?)verschillende werktuigen gevonden, waaronder het houten heft, van één van zijn gereedschappen. 

Ook van beeldhouwer Jan Bosschieter of huistimmerman Jan Bouman is eveneens een handvat teruggevonden. Het ijzer is door het zeewater verdwenen, maar het hout heeft de tand des tijds goed doorstaan. Bijzonder is ook de blokhaak van Antwerpenaar Cornelis Brants.

Smokkelkist

Op ’t Vliegend Hert zijn twee smokkelkistjes gevonden met de initialen GW en een volgnummer. Ook kwam er een blik boven water met de initialen IW. Arent Pol deed onderzoek naar het geld aan boord van ’t Vliegend Hert en kon onder de (onder)officieren geen persoon vinden met een naam die voldeed aan deze combinatie. Wanneer we verder kijken dan alleen de onderofficieren, komt er wel degelijk een mogelijke eigenaar in beeld.

Op de monsterrollen staat Jan Francis Wouterse vermeld, afkomstig uit Edegem bij Antwerpen. Zijn initialen — I(J)W — komen overeen met de vondst. Hij was koksmaat en werkte in de kombuis. In de administratie van de VOC werden de letters I en J namelijk vaak als gelijkwaardig gebruikt. Het ijzeren kistje was dus mogelijk van hem. Het ijzer is door het zeewater verdwenen, maar de zilveren munten (ducatons) zijn nog goed te zien. 

Voor de twee houten smokkelkistjes komt matroos Gerrit Wens uit Amsterdam in aanmerking. Hij wordt genoemd in het verzoekboek voor matrozen. Betekent dit dat ook gewone bemanningsleden zich smokkelgeld konden permitteren? Hoewel bekend is dat het volk soms werden geronseld om tegen een kleine vergoeding geld te smokkelen voor rijke Nederlandse kooplieden, lijkt dat in dit geval onwaarschijnlijk. Een matroos verdiende ongeveer 9 gulden per maand en zou jarenlang moeten werken om de inhoud van zulke smokkelkistjes bijeen te verdienen. Bovendien ligt het niet voor de hand dat iemand met zoveel kapitaal aan een zwaar bestaan als matroos begon, laat staan straf riskeerde door zijn naam op de kist te zetten. 

 

Van wie de smokkelkistjes werkelijk waren, zal verder onderzoek moeten uitwijzen. Niet alleen geld, maar ook tabak en andere goederen werden op grote schaal gesmokkeld. A.J. van der Horst beschrijft een ooggetuige die meldde dat bemanningen van VOC-schepen bij aankomst in Batavia de eerste twee dagen bezig waren met het verkopen van illegaal ingevoerde goederen, waarna pas begonnen werd met het uitladen van het schip. 

Label

Tijdens de duikexpeditie van 1990 kwam een houten naamlabel boven water. Het label is rechthoekig en voorzien van een gat, zodat het bevestigd kon worden aan bijvoorbeeld een zeemanskist. De initialen ‘JDH’ verwijzen mogelijk naar soldaat Jan de Haes uit Vosse in Lukerland. Een andere kandidaat is Jan de Hengst uit Delft. Hij was matroos en werkte als waak op ’t Vliegend Hert. Dat betekende dat hij de onderofficieren ondersteunde bij het laden en lossen, teren en kalfaten (het dichten van kieren in het schip) en het afslaan van de zeilen.

Eten en drinken

Het eten aan boord werd bereid door de kok en zijn koksmaat in de kombuis, waar steenkool werd gebruikt om het vuur op te stoken. Dankzij de lijsten met victualiën weten we ongeveer wat er aan boord werd gegeten. Achter de mast hadden de officieren de luxe om aan een gedekte tafel te eten, met wijn en verschillende gerechten van vers vlees, op smaak gebracht met de vele specerijen aan boord. De gevonden kookpotten en ander keukengerei lijken, gezien hun beperkte aantal, vooral voor deze maaltijden bedoeld te zijn. Zoals A.J. van der Horst terecht opmerkt, is het moeilijk voorstelbaar dat men met zo weinig ruimte en materiaal voor 250 man tegelijk kookte.

 

De proviand werd bewaard in voorraadpotten van steengoed. Daarnaast gebruikte men handzame loden containers voor het transport van levensmiddelen, zoals kaas (zie hieronder), ansjovis en tabak. Niet zelden met initialen. Er werd gegeten van persoonlijk servies met bijbehorend bestek, voornamelijk lepels. Dankzij de initialen op deze voorwerpen kunnen ze aan verschillende personen aan boord worden gekoppeld, uit alle lagen van de hiërarchie. 

 

Wanneer het schip dichter bij de evenaar kwam, werd het bewaren van voedsel een uitdaging. In de praktijk bleek goede conservering vaak lastig. Zelfs het drinkwater bedierf regelmatig en kon een bron van parasieten zijn. Volgens beschrijvingen dronken matrozen en soldaten soms met de tanden op elkaar om geen wormpjes of insecteneitjes binnen te krijgen.

 

 

Om problemen te beperken voerde de VOC allerlei regels in. Sinds 1732 moesten vaten met vlees en spek bijvoorbeeld worden voorzien van een vignet met datum, zodat het oudste vat als eerste werd gebruikt. Een jaar eerder werd het verplicht om levend vee mee te nemen aan boord. Officieren konden daardoor beschikken over vers vlees van onder andere kippen, schapen en varkens die op het dek of in hokken werden gehouden. De verschillende dierenbotten laten zien dat ook ’t Vliegend Hert zich aan deze regels hield. Waarschijnlijk waren niet alle dieren al geconsumeerd. Tot 1671 werden op VOC-schepen zelfs kleine moestuinen aangelegd met onder meer kool, wortels en uien.

 

Voor de mast leefde de bemanning daarentegen op een streng rantsoen om te voorkomen dat de voorraad opraakte vóór aankomst. Bij het ontbijt werd aangelengde gort met pruimen gegeten. In de middag stonden gedroogde peulvruchten of bonen op het menu, soms aangevuld met vet (pekel)vlees of (stok)vis. Het avondeten bestond vaak uit restjes, met bier en brood. Daarnaast kreeg iedere opvarende dagelijks een ‘mutsje’ van ongeveer 15 cl brandewijn. Er werd gegeten in ploegen, ook wel bakken genoemd, waarbij zeven personen samen uit dezelfde schotel of bak aten. Wist je dat hier de uitdrukking ‘aan de bak gaan’ vandaan komt?

Zo dragen een tinnen bord en lepel dezelfde initialen ‘NVMD’, wat mogelijk verwijst naar Nicolaas van der Meer, derde waak. Vergelijkbare lepels zijn gevonden van matroos Gelein Bevers uit Vlissingen en van konstabelmaat Laurens Coppejan. Ook onder de militairen zijn persoonlijke eigendommen teruggevonden, onder meer van Francis Vermeerde uit Antwerpen, Jacob Vrijmoet uit Doesburg en Anthonij Faicq uit Douai. 

Daarnaast zijn verschillende tinnen borden teruggevonden, waaronder die van wapenmeester Jochem Lip. Gillis Pontes liet zelfs twee exemplaren na. Waren dit cadeaus of herinneringen aan het thuisfront? Niet iedere opvarende had eigen servies of bestek. Veel bemanningsleden moesten gebruikmaken van de houten varianten die de VOC beschikbaar stelde.

 

Huistimmerman Adriaen van de Graaff beschikte kennelijk zelfs over een eigen theepot (zie hieronder). Daarnaast was er op een schip als ’t Vliegend Hert standaarduitrusting aanwezig, voorzien van het VOC-logo. Ook hiervan zijn meerdere exemplaren teruggevonden, zoals een brandewijnkom (zie hieronder). 

Handelswaar en lading

Het primaire doel van de VOC was handeldrijven en zoveel mogelijk winst maken met Aziatische luxeproducten, zoals specerijen, zijde en porselein. Andersom was de vraag in Oost-Azië naar Nederlandse producten veel kleiner, of zelfs afwezig. De handel moest daarom grotendeels worden betaald met klinkende munt. Daardoor vormden de drie geldkisten in de kajuit, samen met de proviand in het ruim, een belangrijk deel van de lading tijdens de heenreis. De proviand werd zoveel mogelijk vervoerd in dicht gesoldeerde containers. Voor snel gebruik gebruikte men stenen voorraadpottentonnen en vaten.

 

Daarnaast zijn verschillende voorwerpen gevonden die mogelijk verband houden met bestellingen van Nederlanders die vanuit hun functie bij de VOC in Batavia verbleven. Zo werd in 1988 een intacte kist met twaalf pijpen van hoge kwaliteit gevonden, afkomstig uit Gouda en voorzien van verschillende keurmerken. In de lading bevonden zich vermoedelijk twee soorten pijpen: de gekroonde ‘67’ en de gekroonde ‘WS’. Ter bescherming werden deze verpakt in boekweitdoppen. Ook zijn sporen van Leids laken teruggevonden: een kostbare en hoogwaardige wollen stof die sinds de zeventiende eeuw voornamelijk in Leiden werd geproduceerd.

Geldkisten

Van tevoren was al bekend hoeveel geld zich aan boord in de kajuit van ’t Vliegend Hert bevond. Na de ramp werd opnieuw een balans opgemaakt onder de titel Contanten in het verongelukte Schip het Vliegend hart.

Aan boord waren drie geldkisten aanwezig, genummerd 14 tot en met 16. Deze kisten zijn allemaal teruggevonden. Het bijzondere aan de vondst van de drie geldkisten in ’t Vliegend Hert is dat er zo eindelijk duidelijk werd hoe het geld bij de VOC verpakt werd. 

Elke kist bevatte vijf linnen zakken met Mexicaanse of Spaanse rijders en twee zakken met telkens 2.000 gouden dukaten uit Holland (1728–1730) en Utrecht (1728–1729). 

Bovenop zat turf om de zakken te beschermen. Spaanse muntstukken waren in Azië een veelgebruikte muntsoort en daarom sterk vertegenwoordigd op VOC-schepen. In totaal bevonden zich 28.500 goud– en zilverstukken in deze kisten. Daarnaast zijn aan boord veel Spaanse matten en Mexicaanse realen gevonden. Dit betreft vermoedelijk deels smokkelgeld en deels geld dat gebruikt werd om onderweg bij de Kaap de Goede Hoop proviand aan te vullen.

Navigeren

Een schip kon niet zomaar uitvaren. Eerst moest de koers worden bepaald. Als zeeman moest je weten waar je je bevonddat was van levensbelang. Navigeren was daarom de belangrijkste taak aan boord. De twee hoogste officieren van ’t Vliegend Hert, de schipper en de opperstuurman, zette de koers uit langs de Kaapverdische eilanden, om via de Amerikaanse naar Kaap de Goede Hoop te varen. Vervolgens zou het schip de reis vervolgen langs de zogenaamde brouwerroute, zodat ze profijt hadden van de gunstige wind stromen in de oceaan richting Batavia’t Vliegend Hert heeft op de eerste reis dezelfde koers met succes bevaren. 

 

De koers werd bepaald met behulp van verschillende instrumenten en zeekaarten. Het kompas was daarbij het belangrijkste hulpmiddel om de richting te bepalen. Met de jakobsstaf  (zie hieronder) werd de hoekhoogte gemeten, waaronder de zon of de poolster boven de horizon stond. Op basis van die meting kon de geografische breedte worden berekend. Wist je dat het Nederlandse gezegde polshoogte nemen hier waarschijnlijk haar oorsprong vindt?

Daarnaast gebruikten de officieren een pleinschaal: een rekeninstrument (liniaal) waarmee afgelegde afstanden en verschillen in lengte- en breedtegraad konden werden berekend. Door de stroming of een onverwachte wind konden eerdere berekeningen veranderen. Met behulp van de pleinschaal werden de nodige correcties onderweg uitgerekend en doorgevoerd.

Met de eenhandspasser zette de schipper afstanden uit op de zeekaart. Op open zee was ook een eigen peillood onmisbaar om de diepte te meten en te voorkomen dat het schip in ondiep water terechtkwam. Voor de tweede fatale reis van ’t Vliegend Hert mocht het echter niet meer baten. Bruno Werz stelt in zijn bachelor scriptie uit 1983 dat naast de menselijk fouten en de weersomstandigheden ook de onnauwkeurigheid van de zeekaarten de ramp veroorzaakte. 

Persoonlijke verzorging

Een VOC-schip was bepaald geen schone omgeving, ook niet naar achttiende-eeuwse maatstaven. De bemanning zaten dicht op elkaar gepropt en sanitaire voorzieningen waren er niet. Zowel de persoonlijke hygiëne, als die van de leefomgeving waren kortom erbarmelijkToch laten verschillende vondsten zien dat er wel degelijk aandacht werd besteed aan persoonlijke verzorging. 

 

 

 

De gevonden tandenborstels lijken nog verrassend veel op de hedendaagse variant. Tandverzorging stond nog in de kinderschoenen en er was weinig bekend over goede mondhygiëne. Kiespijn was daarentegen een bekend probleem. De chirurgijn had meestal maar één remedie: het trekken van de tand, gevolgd door een beetje jenever om de pijn weg te spoelen. Waarschijnlijk behoorden de tandenborstels toe aan de welgestelden achter de mast, zoals mr. Jan Dou of schipper Cornelis van der Horst.

’t Vliegend Hert heeft ook meerdere luizenkammen prijsgegeven. Luizen en mensenvlooien waren tot ver in de twintigste eeuw een vervelend en veelvoorkomend verschijnsel dat veel jeuk veroorzaakte. Met een luizenkam werden niet alleen luizen verwijderd, maar ook neten uit het haar gehaald. 

Hoewel we niets weten over de haar- en baardlengte van de opvarenden, ligt het voor de hand dat kort haar praktischer was om overlast door ongedierte te beperken. Chirurgijns waren daarbij niet alleen verantwoordelijk voor medische zorg. Bij gebrek aan een professionele barbier knipten en scheerden zij vaak ook de bemanning. De gevonden scheerbekkens en verschillende scharen zijn daarom mogelijk door hen gebruikt, al kunnen ze ook tot de persoonlijke eigendommen van een van de officieren hebben behoord. 

Smokkelen

We weten hoeveel geld de VOC met ’t Vliegend Hert naar Batavia stuurde om de handel te bekostigen. Interessant is dat er ook geld en geldkisten zijn gevonden die niet op de inventarislijsten voorkomen. Smokkel was op VOC-schepen eerder regel dan uitzondering. Op ’t Vliegend Hert zijn twee smokkelkistjes gevonden met de initialen GW en een volgnummer. Daarnaast kwam er restanten van een blik boven water met de initialen IW. Arent Pol deed onderzoek naar het geld aan boord van ’t Vliegend Hert en kon onder de (onder)officieren geen persoon vinden met deze combinatie van voor- en achternaam die voldoen aan deze intialen. 

 

 

Wanneer we verder kijken dan alleen de onderofficieren, komen er wel mogelijke kandidaten in beeld. Op de monsterrollen staat bijvoorbeeld Jan Francis Wouterse vermeld, afkomstig uit Edegem bij Antwerpen. Zijn initialen IW komen overeen met de vondst. Hij was koksmaat en werkte in de kombuis. In de administratie van de VOC werden de letters I en J namelijk vaak als gelijkwaardig beschouwd. Het ijzeren kistje was dus mogelijk van hem. Het ijzer is door het zeewater verdwenen, maar we zien nog goed hoe de zilveren rijders (ducatons) netjes gesorteerd zijn in het kistje.

Voor de twee houten smokkelkistjes komt matroos Gerrit Wens uit Amsterdam in aanmerking. Hij wordt genoemd in het verzoekboek voor matrozen. Maar betekent dit ook dat gewone bemanningsleden zich smokkelgeld konden permitteren? 

 

Hoewel bekend is dat rijke kooplieden soms matrozen of soldaten inzetten om tegen een klein percentage van de opbrengst geld te smokkelen, lijkt dat in dit geval onwaarschijnlijk. Een matroos verdiende slechts 9 gulden per maand en zou jarenlang moeten werken om de inhoud van zulke smokkelkistjes bijeen te verdienen. Bovendien ligt het niet voor de hand dat iemand met zoveel geld op zak koos voor het zware bestaan van matroos. Ook werden de kistjes achter in het schip gevonden. Van wie de smokkelkistjes werkelijk waren, zal verder onderzoek moeten uitwijzen. 

Verdediging

In het begin van de achttiende eeuw voeren de schepen van de VOC duizenden kilometers tussen Nederland en Azië. Deze reizen brachten niet alleen handelskansen, maar ook risico’s met zich mee. Op zee konden VOC-schepen, zoals ’t Vliegend Hert, te maken krijgen met verschillende tegenstanders. In sommige gebieden vormden piraten een gevaar, vooral langs drukke handelsroutes zoals de Straat van Malakka.

Ook regionale zeemachten in Azië probeerden invloed uit te oefenen op de handel of eisten tol van passerende schepen. Daarnaast waren er Europese concurrenten, zoals Engelse en Franse handelscompagnieën, die streden om toegang tot havens en handelsnetwerken. Portugal was in eerdere eeuwen bijvoorbeeld een belangrijke tegenstander van de Nederlanders in Azië en behield in de achttiende eeuw nog enkele strategische havens en handelsnetwerken. 

De soldaten die meevoeren om Batavia en andere Nederlandse forten en handelsposten in Azië te versterken, werden ook ingezet om het schip, de lading en de bemanning te beschermen bij dreiging op zee. Zij gebruikten daarvoor musketten met kogelspistolensabels en de kanonnen van het schip. Buiten gevechten hielden soldaten de wacht en bewaakten de voorraden. 

Vermaak

Tijdens de lange reis en het zware leven aan boord was behoefte aan ontspanning. Een spel of samen muziek maken hielp om de gedachten even te verzetten of herinneringen aan het thuisfront op te halen. Toch was dit officieel niet toegestaan, vanwege de angst voor drankgelag, ongeregeldheden en opstootjes. Bij het aanmonsteren werden de regels en bijbehorende straffen voorgelezen. Tijdens de reis gebeurde dit meerdere keren om de bemanning eraan te herinneren zich te gedragen. De overtreding van de regels werd namelijk streng bestraft. Denk daarbij aan geselen, brandmerken, kielhalen een geldboete of eenzame opsluiting.

 

Voor gokken was de straf redelijk mild: enkele dagen op water en brood. Bij betrapping op smokkelen, maar ook bij godslastering of dronkenschap, stond een boete van een aantal maanden gageVoor diefstal waren de straffen vele malen strenger. Zelfs lijfstraffen werden niet geschuwd. De doodstraf werd alleen toegepast bij zware vergrijpen, zoals muiterij, moord of homoseksualiteit (sodomie). Provoost Casper Nazius uit Brugge was verantwoordelijk voor het handhaven van de orde aan boord en het tegengaan van verboden spelen en muziek. Hij was hierdoor niet de meest geliefde persoon op het schip! 

Toch kon ook hij niet voorkomen dat er stiekem muziek werd gemaakt of gegokt. Uit ’t Vliegend Hert kwam bijvoorbeeld een dobbelsteentje tevoorschijn. Het werd gevonden in een zogenaamde concretie (of aankoeksel), samen met allerlei knoopjes, speldjes en muntjes. Dat wijst erop dat het voorwerp waarschijnlijk in een persoonlijke zeemanskist werd bewaard.

 

Opmerkelijk is dat deze dobbelsteen alleen het getal 6 bevat. Mogelijk maakte iemand voor de mast het stiekem, maar kreeg diegene door de ramp nooit de kans om het af te maken.

De gevonden stemsleutel van een viool laat zien dat er waarschijnlijk ook muziek werd gemaakt aan boord. Net als bij het smokkelen zocht de bemanning manieren om de regels van de VOC te omzeilen. 

Ziekte en overlijden

Het eten voor de mast was karig, eenzijdig en van slechte kwaliteit. Daarmee vormde het een directe bedreiging voor de gezondheid aan boord. Vooral onder de gewone bemanning kwamen aandoeningen als scheurbuik, uitdroging, difterie en vlektyfus regelmatig voor. De smerige omgeving, het zware werk, het ongedierte en de extreme temperaturen maakten de situatie er niet beter op.  Bovendien deed men nauwelijks aan persoonlijke hygiëne en zaten de mannen dicht op elkaar gepakt. Om die reden voeren op een VOC-schip standaard meerdere chirurgijns mee. 

’t Vliegend Hert had er drie uit Middelburg, die naast medische zorg ook verantwoordelijk waren voor het knippen en scheren van de bemanning. Gilles Pontis was een van hen. Van hem zijn twee borden met zijn initialen teruggevonden.

 

Van Nicolaes van der Meer werd een tinnen lepel teruggevonden.

Tegen veel van de toenmalige ziektes konden chirurgijns echter weinig beginnen. Hun behandelingen bestonden vooral uit symptoombestrijding en sommige ingrepen waren waarschijnlijk niet zonder risico. De schedelboor of trepaan (zie hieronder) uit ’t Vliegend Hert is daarvan een opvallend voorbeeld. Hiermee werden zogenaamde trepanaties uitgevoerd: ingrepen waarbij één of meerdere gaten in het schedeldak werden geboord, bijvoorbeeld om de gevolgen van een schedelbreuk te behandelen.

Het scheerbekken werd niet alleen gebruikt om te scheren, maar ook voor aderlatingen. Tot ver in de negentiende eeuw ging de medische wetenschap uit van de leer van de vier lichaamssappen: gele gal, zwarte gal, slijm en bloed.

 

Men dacht dat ziekte ontstond door een verstoring van het evenwicht tussen deze vloeistoffen. Door bloed af te tappen probeerde men die balans te herstellen.

Door de combinatie van open wonden en slechte hygiëne konden complicaties, zoals ontstekingen, gemakkelijk ontstaan. De jeneverfles, een vast onderdeel van de uitrusting van de chirurgijn, werd gebruikt om verlichting te bieden wanneer andere middelen tekortschoten.

Voor de geestelijke zorg was een ziekentrooster aan boord. Dit was Severijn Deelmunck uit Vlissingen. Door de uiteenlopende herkomst van matrozen en soldaten moet op het schip een mengelmoes van christelijke stromingen aanwezig zijn geweest. En dat op een relatief kleine ruimte. Zeeuwen en Hollanders waren overwegend calvinistisch, terwijl bemanningsleden uit Brabant en de Zuidelijke Nederlanden (grofweg het huidige Vlaanderen) veelal katholiek waren opgevoed. Op ’t Vliegend Hert voeren ook verschillende Duitsers mee, met name militairen. Onder hen zullen waarschijnlijk veel lutheranen zijn geweest. Van welke confessie Deelmunck was, weten we echter niet. 

 

De zorg aan boord ten spijt maakt het overlijdensbericht van soldaat Jacob Pietersen (zie hieronder) pijnlijk duidelijk dat veel bemanningsleden al verzwakt aanmonsterden. Uit heel Europa trokken arme mannen naar Zeeland op zoek naar een beter bestaan bij de VOC. Zogenaamde zielverkopers’ of slaapbazen trokken langs havens en kroegen en boden de arme drommels onderdak en warme maaltijden aan. De volgende ochtend werden deze mannen geconfronteerd met de hoge rekening van 150 gulden die zij niet konden betalen. Waarna hun loon in beslag werd genomen wanneer zij aan de VOC werden overgeleverd. Dit kon soms weken duren. In de tussentijd kregen de mannen, soms zelfs in opsluiting, op voedsel dat nauwelijks beter was dan het eten aan boord.

Nadat de bemanning op 28 december op ’t Vliegend Hert was gekomen, moest zij nog vijf weken wachten voordat het schip uiteindelijk uitvoer. Bij ’t Vliegend Hert waren het vooral Sara de Vries, Pieter de Volder en Jan Martens (zie hieronder) die regelmatig in de kantlijn voorkomen als begunstigde voor het salaris. Naast Pietersen kostte die wachtperiode aan de rede van Rammekens ook matroos Lodewijk Stefan en soldaat Steven van Goethem het leven. Jan Stalploeg was bovendien zo zieke en zwak dat zijn broer hem moest vervangen.