Wie gingen er mee op reis?

Zonder mensen kon ‘t Vliegend Hert niet varen. Het grote schip had een bemanning van honderden mensen, van schipper tot matroos. Wie waren er precies aan boord? Waar kwamen zij vandaan? Hoe zagen hun levens eruit?

In het najaar van 1734 werd Cornelis van der Horst aangesteld als schipper. Hij was een ervaren zeeman en de bewindhebbers van de VOC vertrouwden hem volledig. De in Hulst geboren Cornelis woonde samen met zijn vrouw Pieternella Smoor in Vlissingen. Het stel was al zo’n 17 jaar getrouwd. Voor Pieternella was het niet de eerste keer dat ze haar man voor langere tijd moest missen. De nieuwe schipper had eerder op VOC-schepen gevaren als onder- en opperstuurman.

 

De één-na-hoogste nautische rang op VOC-schepen was de opperstuurman. Aan boord van ‘t Vliegend Hert was dat Harmanus Nieuland, ook iemand die eerder had meegevaren op VOC-schepen. Harmanus’ leven was gestempeld door de Compagnie: hij was in een VOC-nederzetting op Ceylon geboren. De andere stuurlui waren Zeeuwen: Leendert uit Zierikzee, Abraham uit Vlissingen, Isaak en Lucas uit Veere. Al die hoge officieren moesten iemand aan boord dulden met een nog veel hogere rang: de belangrijkste VOC-werknemer aan boord was namelijk een passagier. Het ging om Jan Dou, een jurist uit de Middelburgse Gortstraat. Hij was door de bewindhebbers aangesteld als Raad van Justitie in Batavia en voer mee met ‘t Vliegend Hert om zijn hoge post op zich te nemen.

 

t Vliegend Hert had vele ambachtslieden en matrozen nodig om te kunnen uitvaren. Daarnaast moest de VOC soldaten aanwerven voor de veiligheid onderweg, maar vooral om in Azië oorlog te kunnen voeren. In de aanloop naar het vertrek van de Kerstvloot hadden zich in Middelburg al vele gelukszoekers verzameld die wel geïnteresseerd waren in een dienstverband bij het grootste bedrijf ter wereld. Ze werden opgevangen in herbergen en logementen, waar slaapbazen hen graag verwelkomden om een graantje mee te pikken van alle VOC-activiteit. Eind december 1734 hield de VOC een zogenoemde monstering. Twee belangrijke heren van de VOC in Zeeland, Daniël Radermacher en Martinus Veth, openden op 28 december 1734 het Oost-Indisch Huis voor potentiële werknemers. Die konden zich melden om ter plekke voor meerdere jaren in dienst te treden van de VOC. Het ging vooral om jonge mannen, afkomstig uit Nederland en Vlaanderen, maar ook verder weg. Zo meldden zich arbeidsmigranten uit Frankrijk, Schotland, Engeland, de Duitse staten en Scandinavië.

Veel van de mannen die dienstnamen op ‘t Vliegend Hert waren ervaren zeelui. Epke Teunis uit Bolsward bijvoorbeeld werd aangesteld als matroos, maar had als bijzondere rol trompetter. Dat was een functie die hij al tien jaar had bekleed op diverse schepen. Willem Klaarhout had jarenlange ervaring in de trans-Atlantische slavenhandel, net als onder meer Carel de Bodt uit Oostende. Er waren volop matrozen met ervaring in de walvisvaart, de visserij, de binnenvaart en andere maritieme takken. Schipper Cornelis van der Horst zal tevreden geweest zijn: hij had een ervaren bemanning tot zijn beschikking.