De zeekaart van Anias
In 1977 bestudeerde prof. dr. Günther Schilder, hoogleraar historische cartografie in Groningen, een oude zeekaart, zoals hij dat wel vaker deed. Op de kaart van Abraham Anias stonden verschillende scheepswrakken rond Walcheren aangegeven (afb. 1). Schilders oog viel daarbij op een aanduiding van ’t Vliegend Hert bij het Schoneveld voor de Vlaamse kust: ‘hier gezonken 3 februari 1735’. Die vermelding intrigeerde de hoogleraar. Na verder onderzoek werd het wrak daadwerkelijk gelokaliseerd. Schilder nam vervolgens contact op met de toenmalige conservator maritieme archeologie Bas Kist van het Rijksmuseum.
Kist onderzocht de mogelijkheden voor een onderzoek naar de resten van ’t Vliegend Hert. Aanvankelijk had hij de gerenommeerde maritiem archeoloog Robert Sténuit als partner op het oog. Toen Sténuit daarvan afzag, kwam Kist in contact met de Engelse commercieel maritiem archeoloog Rex Cowan. Via hem raakte Kist in contact met de gebroeders Rose, die als financiers bij het project aansloten. Samen met anderen richtten zij daarom The North Sea Archaeological Expedition op in 1979–1980.
Vervolgens deed The North Sea Archaeological Expedition verschillende pogingen om de exacte locatie van het wrak te lokaliseren. Met behulp van een protonmagnetometer lukte dit uiteindelijk in de zomer van 1981. Omdat het duikseizoen toen al bijna ten einde liep, kon slechts enkele keren op het wrak worden gedoken. Dat jaar stond vooral in het teken van het verkennen en in kaart brengen van de vindplaats.
In de zomer van 1982 ging men met goede moed verder, maar slecht weer en motorpech zorgden ervoor dat de expedities opnieuw beperkt bleven. Toch volgde op 30 juli een eerste hoogtepunt: de vondst van een intacte geldkist: een moment dat veel aandacht trok binnen de maritieme archeologie.De verslaglegging van deze vondst richtte zich volgens critici vooral op de materiële aspecten van de geldkist en de muntstukken. Daarmee werd meteen een spanningsveld zichtbaar tussen de Engelse onderwaterarcheologen en het Rijksmuseum. Enerzijds was er kritiek op de wetenschappelijke documentatie en borging van de vondsten. Anderzijds had Cowan met de Staat een verdeelsleutel afgesproken van 75–25% van de opbrengsten, die vlak vóór de vondst op verzoek van Cowan was aangepast naar 90–10%.
In de pers ontstond vervolgens discussie over de vraag of de geldkist al eerder was gelokaliseerd en of de wijziging van de verdeelsleutel vooral was ingegeven door financiële gewin. Cowan werd neergezet als een schatgraver, terwijl hij wees op de hoge kosten en risico’s van de maritieme expedities. Het Rijksmuseum besloot zich daarom te trekken. Daarna werden de duikers strenger geïnstrueerd en werden het tekenen en fotograferen van objecten in situ een vast onderdeel van de werkwijze die terug te vinden zijn in de duikrapporten.
Zeekaart (replica) van de Noordzee met de locaties van de scheepsrampen van de Anna Catharina en ‘t Vliegend Hert in 1735. Naar aanleiding van deze scheepsrampen werden de vaargeulen voor het eerst afgebakend met tonnen. Deze kaart werd speciaal gemaakt voor zeevarenden. Het is een kopie van de zeekaart van cartograaf Abraham Anias, uitgegeven door Van Keulen in 1774.