Blaasinstrumenten

Tussen de vele vondsten van het VOC-schip ’t Vliegend Hert bevinden zich enkele bijzondere resten van koperblaasinstrumenten. De maritiem-archeologen vonden onderdelen van ten minste twee natuurhoorns en een natuurtrompet, die zowel door het Rijksmuseum als het Maritiem Muzeeum Zeeland worden bewaard. De vondsten roepen interessante vragen op: waarom waren deze instrumenten aan boord? Van wie waren ze? En waarvoor werden ze gebruikt?

Onderzoek door het Maritiem Muzeeum Zeeland, in samenwerking met specialist Willem Gerritsen, heeft uitgewezen dat de vondsten waarschijnlijk afkomstig zijn van meerdere instrumenten. Sommige onderdelen behoren zeker tot een natuurhoorn uit de barokke periode, gezien de afmetingen, anatomie en het kegelvormige mondstuk, terwijl andere delen afkomstig lijken te zijn van een natuurtrompet (zie hieronder). Daarmee wordt duidelijk dat zich aan boord meer muziekinstrumenten bevonden dan eerder werd gedacht.

De natuurhoorns van de instrumenten blijken afkomstig te zijn van de beroemde instrumentbouwer Johann Heinrich Eichentopf uit Leipzig. Deze Duitse vakman werkte in dezelfde periode als componist Johann Sebastian Bach en stond bekend om zijn hoogwaardige blaasinstrumenten. Zowel in Vlissingen als in Amsterdam worden waarschijnlijk twee identieke exemplaren van Eichentopf bewaard. Ook de onderdelen van de natuurtrompet, gemaakt door Steinmetz uit Neurenberg, lijken een verwantschap aan te tonen. Het Rijksmuseum heeft de beker en de bocht op zaal liggen, terwijl de blaaspijp, ofwel, leadpipe in Vlissingen wordt bewaard. Of deze onderdelen inderdaad van dezelfde natuurtrompet afkomstig zijn, moet verder onderzoek in de toekomst uitwijzen. 

De aanwezigheid van deze instrumenten is opvallend. Op VOC-schepen werden trompetten gebruikt voor signalen: om de wacht af te lossen, alarm te slaan of belangrijke gebeurtenissen aan boord aan te kondigen. De communicatie op afstand werd juist gedaan met natuurhoorns, omdat dat geluid verder reikte. Toch stond op de bemanningslijst van ’t Vliegend Hert geen trompetter vermeld. Wel was er een tamboer aan boord, die mogelijk een deel van deze taken uitvoerde.

 

Het maakt de vondst extra raadselachtig. Waren de instrumenten onderdeel van de standaarduitrusting van het schip? Waren ze eigendom van een van de bemanningsleden? Of maakten ze deel uit van de lading die bestemd was voor Batavia? Omdat verschillende bemanningsleden afkomstig waren uit de regio Leipzig, bestaat de mogelijkheid dat de instrumenten persoonlijke eigendommen waren. 

Een andere mogelijkheid is dat de instrumenten als handelswaar of geschenk waren bedoeld. De hoge kwaliteit van de instrumenten en het feit dat ze niet op de officiële ladinglijsten voorkomen, maken het moeilijk om hun oorspronkelijke functie met zekerheid vast te stellen.

 

De meest waarschijnlijke kandidaat is Epke Teunis uit Bolsward. In de kantlijn van zijn aanmonstering staat vermeld dat hij 10 jaar als trompetter had gevaren (zie afbeelding hierboven). Was dit de reden dat de VOC de vacature voor trompetter openliet? De blaasinstrumenten behoren tot de meest intrigerende voorwerpen uit het wrak, waarover nog weinig met zekerheid bekend is. Om definitieve antwoorden te vinden, moeten de verschillende onderdelen in de toekomst fysiek met elkaar worden vergeleken.